Is het mogelijk om werkelijk goed te worden?

Is het mogelijk om werkelijk goed te worden?

Geschreven door: Inga M. Larsen | Gepubliceerd: vrijdag 30 december 2011

‘Je bent niet in staat goed te zijn doordat je een aardige jongen bent!’ zegt Ben Chadwick (21) uit Engeland. Deze jongeman heeft al ondervonden waar hij over spreekt en wil deze openbaring graag met ons delen.

Ben gaat tegenover mij zitten. Aanvankelijk is hij rustig en lijkt hij bescheiden.

Hij vertelt van een fijne jeugd in Durham. Zoals zoveel andere jongens van zijn leeftijd houdt hij veel van voetbal. Hij luistert ook graag naar muziek, samen met vrienden. 

Als ik hem vraag naar zijn geestelijk leven, is het of er een gloed in zijn ogen komt en alle terughoudendheid verdwijnt. Er komt beslistheid en zekerheid in zijn stem:

‘Er is een eenvoudige tekst, die luidt zo: Daar Christus dan naar het vlees geleden heeft, moet ook gij u wapenen met dezelfde gedachte, dat wie naar het vlees geleden heeft, onttrokken is aan de zonde. (1 Petrus 4:1) Dat is een belofte in de Bijbel waarvoor ik heb gekozen om erin te geloven. Doordat ik mijn eigen wil verloochen en Gods wil doe kan er een eind komen aan alles waarvan ik weet dat het slecht is.’

Ik sta versteld van zijn vurige bezieling en overtuiging op dit terrein.

Ben hoort bij een kleine gemeente in Durham. Die Gemeente bestaat alles bij elkaar uit 25 vrienden; tien daarvan zijn in de jeugdleeftijd. Ben is op één na de oudste.

Hij vertelt dat hij al vroeg verantwoordelijkheidsbesef kreeg voor die kleine groep jongeren.Hij had een sterk verlangen om goed voor hen te zijn. Hij ging al vroeg leuke dingen bedenken voor wie jonger waren dan hij.

‘Want jij lijkt me zo’n aardige jongen’

Dat klinkt veelbelovend, denk ik. ‘Dan is het voor jou zeker altijd makkelijk geweest om christen te zijn?’ vraag ik. En welbewust van het uitdagende van die vraag voeg ik eraan toe: ‘Want jij lijkt me zo’n aardige jongen.’

Nu wordt Ben ernstig: ‘Je bent niet in staat goed te zijn doordat je een aardige jongen bent!’ werpt hij haast verontwaardigd tegen. ‘Inderdaad heb ik lange tijd gedacht dat ik een aardig iemand was. Ik kreeg het vaak te horen en geloofde het zelf ook.’

Ben vertelt hoe makkelijk hij iets leuks kon bedenken voor de jongens waar hij graag mee omging en die blij en dankbaar waren voor wat hij voor ze deed. Maar als hij goed moest zijn voor een paar met wie hij menselijk gesproken niet mee overweg kon, kwam er een probleem.

‘Ik merkte en merk nog steeds, dat er een aantal mensen zijn die mij met hun manier van doen kunnen irriteren. Het makkelijkste is dan deze mensen uit de buurt te blijven.’

Echte zorg en interesse

Maar Ben had zich voorgenomen goed te zijn. Met zich dan maar afzijdig houden was hij niet tevreden. Hij dacht aan alle zorg die hijzelf had genoten, van zijn eigen ouders, maar ook van andere mensen die vaak zo goed waren voor hem toen hij jonger was. Zij bewezen ongedeeld zorgzaamheid. Zij maakten geen verschil. Het was echte zorg en interesse voor allen.

Hoe krijgen zij dat klaar? had hij gedacht. Dat leven trok hem aan. Hij wilde niet sommigen voortrekken. Nu hij zich had voorgenomen goed te zijn, moest dat zonder voorwaarden zijn.

Wat Jezus zegt in Mattheüs 16:24 gaf hem antwoord op dat waar hij naar zocht:

Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zich zelf en neme zijn kruis op en volge Mij.

‘Ik zag iets gemeenschappelijks bij alle mensen tegen wie ik opzag: zij hadden de liefde en het verantwoordelijkheidsgevoel waar ik ook naar verlangde. Zij begrepen wat Jezus zegt over je kruis opnemen.’

Ben kreeg te zien dat christen zijn niet alleen bestaat uit de zichtbare werken die hij tot dusver verbonden had met christelijk zijn. Bijvoorbeeld: iets leuks bedenken voor jongeren kan natuurlijk een vrucht van een christenleven zijn. Maar hij kreeg te zien dat christendom veel meer is dan dat.

‘Je kruis opnemen en Jezus volgen is een verborgen leven. Dat houdt in het kwade, dat in het woont, verloochenen en haten.’

‘Je kruis opnemen en Jezus volgen is een verborgen leven. Dat houdt in het kwade, dat in het vlees woont, verloochenen en haten.’

‘Dat betekent dat het niet nodig is rond te blijven lopen met het egoïsme en de irritatie die in je woont. Als ik bijvoorbeeld irritatie verloochen, iedere keer als het opkomt, kan ik met Gods hulp en kracht dat probleem voor altijd overwinnen. Het is een grote troost voor mij dit te bedenken.’

Ben praat met gloed in zijn ogen. Het lijkt wel of hij zojuist een prijs in de loterij heeft gewonnen en vertelt wat hij allemaal met het geld denkt te gaan doen.

‘Al word ik nog wel verzocht om geïrriteerd te worden, ik merk steeds vaker het gevoel van: Nu is het gelukt! Nu heb ik iets doorbroken! Nu heb ik door Gods genade en kracht iets gedaan wat ik van nature niet zou hebben gedaan!’

Dat geeft mij een vreugde, die met geen pen te beschrijven valt!

‘Juist door die kleine beproevingen kom je er achter: er bestaat niets beters dan dit! Niks wat ik door te zondigen of door mijn natuurlijke begeerten kan krijgen, weegt op tegen de ervaring dat je vrij kunt komen van wat je van nature denkt en doet. Dat geeft mij een vreugde, die met geen pen te beschrijven valt!’

‘Ik moet wel bidden’

Ik verwonder mij over de sterke overtuiging van de aanvankelijk zo bescheiden jongen. Maar hoe krijgt hij het voor elkaar om irritatie een halt toe te roepen? Ik vraag hem waar hij de inspiratie en de kracht daarvoor vandaan haalt.

‘Ik moet wel bidden. Als ik met bepaalde personen in contact kom, weet ik van te voren dat er ‘strijd’ komt. Daar moet ik me op voorbereiden.’

Hij vergelijkt deze kleine dagelijkse situaties met oorlogvoering.

‘Op strijd moet je je voorbereiden. Dan moet je bidden. In de Bijbel lezen. Op die manier krijg je woorden, die je in moeilijke situaties tot hulp kunnen zijn. Als de situatie zich aandient kan je kracht krijgen van God om tegen zulke gedachten nee te zeggen. Ik geloof wanneer het je een nood is om goed te zijn, God je wil helpen.’

Hij verwijst naar het vers: Want des Heren ogen gaan over de gehele aarde, om krachtig bij te staan hen wier hart volkomen naar Hem uitgaat. (2 Kronieken 16:9) 

 En hij vervolgt enthousiast: ‘Als je die nood in het hart hebt dat je het kwade haat dat op wil komen en zich wil doen gelden in de situaties, dan wil God je natuurlijk kracht geven om je ‘innerlijke vijanden’ te overwinnen.’

De jongeman praat indringend en met overtuiging. Toch kan ik niet helemaal loskomen van de gedachte: is het voor hem niet makkelijker? Hij is tenslotte een ‘aardige jongen’ …

Allen hebben hetzelfde vlees

Dan verwijst Ben naar dat wat Jezus zegt in Lucas 18:19:

Waarom noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan God alleen.

Ben herhaalt nogmaals dat allen hetzelfde vlees hebben. Misschien met verschillende neigingen: sommigen zijn agressief of driftig, anderen aardig aan de buitenkant, maar hebben misschien wel grote problemen met bitterheid in hun hart. Ongeacht welke neigingen we hebben, we kunnen niet gelukkig zijn zolang we met deze negatieve neigingen in ons vlees blijven rondlopen.

Ongeacht hoe aardig we er aan de buitenkant ook uitzien, pas als we de hartstochten waarvan we weten dat ze slecht zijn kruisigen, of: ons ervan reinigen, kunnen we werkelijk een hulp voor andere mensen zijn. (Gal 2:19-20)